In een van mijn eerdere blogs schreef ik over onderpresteren bij hoogbegaafde kinderen. Een term die veel gebruikt wordt, maar die ook iets verhult. Want sinds ik met dit onderwerp werk, vraag ik me af: bestaat onderpresteren eigenlijk wel?
Of beter gezegd: voor wie bestaat het?
Een oordeel van buitenaf
Wanneer we spreken over onderpresteren, bedoelen we meestal dat een kind niet laat zien wat het “in huis heeft”. Er is een discrepantie tussen potentie en zichtbaar resultaat. Maar die discrepantie wordt vrijwel altijd vastgesteld door een volwassene: een leerkracht, een ouder, een begeleider.
Het kind zelf ervaart die kloof vaak helemaal niet zo.
Sterker nog: veel kinderen die als onderpresteerder worden bestempeld, zijn juist heel actief bezig met iets anders dan wat wij meten. Ze zijn aan het overleven in een omgeving die niet past. Ze zijn zichzelf aan het beschermen tegen faalangst. Ze zijn hun motivatie kwijtgeraakt. Of ze hebben simpelweg geleerd dat inspanning geen zin heeft.
Vanuit dat perspectief is hun gedrag niet ‘onder’, maar functioneel.
Gedrag is logisch, ook als we het niet begrijpen
Wat wij onderpresteren noemen, is vaak gedrag dat niet aansluit bij onze verwachtingen. Maar gedrag ontstaat nooit zomaar. Het is een antwoord op een situatie.
Een kind dat niet werkt, kan dat doen omdat:
- het werk te makkelijk is en geen beroep doet op denken
- het werk te moeilijk voelt door perfectionisme of onzekerheid
- het geen autonomie ervaart
- het zich niet gezien voelt
- het negatieve leerervaringen heeft opgedaan
Als we dat serieus nemen, verschuift de vraag van:
“Waarom laat dit kind niet zien wat het kan?”
naar:
“Wat maakt dat dit kind dit gedrag laat zien?”
Dat is een fundamenteel andere insteek.
De valkuil van potentiedenken
Onderpresteren impliceert dat er een soort ‘juiste’ output bestaat die een kind zou moeten halen. Maar die norm is vaak gebaseerd op aannames over intelligentie en potentie.
We denken:
Als dit kind echt zijn best zou doen, dan zou het…
Maar daarmee leggen we de verantwoordelijkheid volledig bij het kind, terwijl we de context buiten beschouwing laten.
Bovendien: potentie is geen constante die je zomaar “aanzet”. Het komt alleen tot uiting onder de juiste voorwaarden. Zonder die voorwaarden is het geen onwil, maar een gemiste afstemming.
Van probleem naar signaal
Misschien is het helpender om onderpresteren niet te zien als een probleem van het kind, maar als een signaal.
Een signaal dat er ergens iets niet klopt in de interactie tussen:
- het kind
- de omgeving
- en de verwachtingen
Dat wat je ziet, zegt dan niet: “dit kind doet het niet goed”, maar:
“we begrijpen nog niet wat dit kind nodig heeft om tot leren te komen.”
En dat vraagt iets anders van ons.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Het helpt het om onderpresteren niet te zien als een eigenschap van een kind, maar als een signaal. Een signaal dat er ergens iets niet klopt in de wisselwerking tussen kind, omgeving en verwachtingen. Zo ontstaat er ruimte om anders te kijken en te handelen.
Niet sturen op ‘meer eruit halen’, maar op:
- relatie en veiligheid
- autonomie en eigenaarschap
- betekenisvol leren
- aansluiten bij het denkniveau én de beleving
En misschien wel het belangrijkste: nieuwsgierig blijven, zonder oordeel.
Tot slot
Onderpresteren bestaat misschien inderdaad alleen in de ogen van de toeschouwer.
Dus daar ligt ook de ruimte. Wanneer we bereid zijn om opnieuw te kijken — met iets meer nieuwsgierigheid en iets minder invulling — ontstaat er ruimte om het kind beter te begrijpen. Niet alleen in wat het laat zien, maar ook in wat nog verborgen blijft.




