Skip to main content

Over kinderen die zoeken naar hun plek in de wereld, en wat er gebeurt wanneer ze eindelijk de ruimte krijgen om zichzelf te zijn.

Een jong boompje heeft wortels nodig om stevig te kunnen groeien. Wortels die zich langzaam een weg banen door de aarde, die zich vertakken, die houvast vinden en steeds dieper de grond in groeien. Het is dat onzichtbare netwerk onder de grond dat ervoor zorgt dat een boom uiteindelijk stevig kan staan. Dat hij niet bij ieder zuchtje wind omvalt en dat hij stormen kan doorstaan zonder zichzelf te verliezen.

Maar wat gebeurt er als je een jong boompje steeds opnieuw verplaatst? Net wanneer de wortels zich beginnen te hechten aan de grond, wordt het boompje ergens anders neergezet. De bodem verandert, de omstandigheden veranderen en de wortels moeten opnieuw hun weg zien te vinden. Het boompje blijft groeien, misschien zelfs zichtbaar, maar echt stevig worden is moeilijk. Het heeft nauwelijks de tijd om zich te verankeren.

Ik zie dit beeld vaak voor me bij kinderen die opgroeien met het gevoel dat ze de wereld niet helemaal begrijpen, terwijl de wereld hen op haar beurt ook niet goed begrijpt.

Wanneer de wereld niet helemaal past

Er zijn kinderen die de wereld op een andere manier beleven. Kinderen die veel waarnemen, diep nadenken, scherpe vragen stellen en verbanden leggen die anderen niet altijd zien. Kinderen die intens voelen, een groot rechtvaardigheidsgevoel hebben of al vroeg nadenken over onderwerpen waar leeftijdsgenoten nog helemaal niet mee bezig zijn.

Voor sommige van deze kinderen gaat dat gepaard met een groot enthousiasme en een vanzelfsprekende nieuwsgierigheid. Voor andere kinderen wordt het juist een bron van verwarring en eenzaamheid. Want hoe vanzelfsprekend het ook lijkt dat je op school samenwerkt, met leeftijdsgenoten speelt of aansluiting vindt bij een sportclub, dat is niet voor ieder kind even gemakkelijk.

Misschien begrijpt een kind niet waarom anderen zich druk maken om iets wat voor hem onbelangrijk voelt. Misschien vindt het de gesprekken in de klas weinig interessant, terwijl het juist verlangt naar contact met kinderen met wie het echt de diepte in kan. Misschien voelt het haarfijn aan wat er tussen mensen gebeurt, maar lukt het niet om daar woorden aan te geven. Of misschien past het zich zo goed aan de verwachtingen van de omgeving aan dat niemand ziet hoeveel moeite het kost om erbij te horen.

En als je je anders voelt dan de mensen om je heen, ga je soms zoeken naar manieren om dat verschil kleiner te maken.

Je leert wanneer je beter niets kunt zeggen. Je houdt je vragen voor je. Je probeert mee te doen, ook wanneer je eigenlijk iets anders nodig hebt. Je past je aan, omdat je graag vrienden wilt hebben, omdat je de juf niet wilt teleurstellen of omdat je niet alweer degene wilt zijn die het anders doet.

Langzaam kan er iets verschuiven. Waar een kind eerst vooral probeerde de wereld te begrijpen, gaat het steeds meer proberen zichzelf begrijpelijk te maken voor die wereld. Daarin raakt het onderweg misschien een stukje van zichzelf kwijt.

Steeds opnieuw een andere plek

Voor sommige kinderen blijft het niet bij aanpassen. Ze lopen vast op school, verliezen hun plezier in leren, worden boos, trekken zich terug of ontwikkelen klachten waarvan niet altijd duidelijk is waar ze vandaan komen. Soms wordt hun gedrag gezien als lastig, ongemotiveerd of perfectionistisch. Soms wordt er vooral gekeken naar wat er niet goed gaat en wat er moet veranderen.

Ouders zoeken ondertussen naar antwoorden. Ze voelen dat hun kind niet lekker in zijn vel zit, zien hun kind langzaamaan steeds verder verdwijnen, maar weten niet altijd wat er nodig is. Er volgen gesprekken, onderzoeken, aanpassingen en nieuwe afspraken.
Misschien komt er extra uitdaging, wordt het onderwijs anders ingericht of besluit het gezin dat een andere school beter past.
Soms helpt dat. Soms blijkt dat ook daar niet de oplossing ligt en begint de zoektocht opnieuw.

Een kind kan versnellen, van klas wisselen of naar een andere school gaan. Het kan nieuwe activiteiten proberen, zich aansluiten bij een andere sportclub of steeds opnieuw proberen aansluiting te vinden bij leeftijdsgenoten. Iedere verandering brengt hoop met zich mee: misschien is dit de plek waar het wél lukt. Waar het kind zich begrepen voelt. Waar het niet steeds hoeft uit te leggen waarom het de dingen anders ziet of beleeft.

En soms ís een verandering inderdaad precies wat nodig is.

Maar een verandering van plek betekent niet automatisch dat een kind zich ook vanbinnen veilig en stevig voelt. Want wanneer je al langere tijd hebt ervaren dat je anders bent, dat je niet helemaal past of dat je je moet aanpassen om erbij te horen, neem je die ervaringen met je mee.

Ook op een plek die beter aansluit, kan een kind blijven verwachten dat het weer misgaat. Het kan blijven zoeken naar wat anderen van hem willen, zichzelf klein maken of juist voortdurend op zijn hoede zijn. Het kan moeite hebben om te vertrouwen op wat het zelf voelt, denkt en nodig heeft.

Het is alsof we een boompje eindelijk in de juiste grond planten, maar verwachten dat het meteen stevig staat. Terwijl de wortels nog moeten groeien.

Het belangrijkste werk gebeurt onder de grond

Wanneer een kind eindelijk op een plek terechtkomt waar het meer aansluiting ervaart, waar het gezien wordt en waar ruimte is voor wie het is, kan er iets veranderen. Hopelijk ontmoet het kinderen met wie gesprekken vanzelf gaan. Misschien vindt het een leerkracht die verder kijkt dan het gedrag en nieuwsgierig is naar wat daaronder ligt. En ontdekt het dat het niet de enige is die de dingen zo beleeft.

Er ontstaat ruimte om op adem te komen.

Dat betekent echter niet dat alles vanaf dat moment vanzelf gaat. Soms zie je juist dan hoeveel spanning een kind heeft opgebouwd. Hoe moe het is van het aanpassen. Hoeveel onzekerheid eronder zit, of hoe moeilijk het geworden is om te voelen wat het zelf eigenlijk wil.

Dat is niet per se een teken dat de nieuwe plek niet goed is. Het kan ook betekenen dat er eindelijk voldoende veiligheid ontstaat om te laten zien wat er al die tijd onder de oppervlakte speelde.

Vergelijk het met een jong boompje dat opnieuw wordt geplant, dit keer in grond waarin het de kans krijgt om te wortelen. In het begin zie je misschien weinig gebeuren. Er verschijnen niet direct nieuwe bladeren en de boom lijkt nauwelijks te groeien. Toch vindt er onder de grond van alles plaats. De wortels zoeken hun weg, vertakken zich en zoeken naar houvast. Ze groeien in hun eigen tempo, zonder dat iemand precies kan zien hoeveel werk dat kost.

Ook bij kinderen gebeurt veel van dat belangrijke werk buiten het zicht.

Een kind leert zichzelf opnieuw kennen. Het ontdekt dat het niet altijd hoeft te voldoen aan de verwachtingen van anderen. Dat het vragen mag stellen, fouten mag maken en ergens anders over mag denken. Het leert herkennen wanneer iets niet goed voelt, wanneer het behoefte heeft aan rust of juist aan uitdaging. Het ontdekt dat anders zijn niet hetzelfde is als ‘niet goed’ zijn.

En misschien wel het belangrijkste: het leert dat het zichzelf niet voortdurend hoeft aan te passen om erbij te mogen horen.

Dat proces vraagt tijd. Soms meer tijd dan we zouden willen. Zeker wanneer een kind al veel heeft meegemaakt en het vertrouwen in zichzelf of de omgeving is beschadigd. Wortels groeien nu eenmaal niet sneller omdat wij graag willen dat een boom stevig staat.

Niet harder groeien, maar dieper wortelen

We zijn gewend om groei vooral zichtbaar te maken. We kijken naar cijfers, prestaties, gedrag en ontwikkeling. We willen weten of een kind vooruitgaat en of de gekozen aanpak resultaat oplevert.Maar bij kinderen die langere tijd hebben geworsteld, zit groei niet altijd in wat je aan de buitenkant kunt zien.

Soms is groei dat een kind durft te zeggen dat het iets niet begrijpt. Of dat het aangeeft dat iets te veel is. Dat het niet langer overal in meegaat om anderen tevreden te houden. Dat het een fout maakt zonder meteen te denken dat het niet goed genoeg is.

Soms is groei dat een kind na een moeilijke dag niet meer concludeert dat het zelf het probleem is, maar nieuwsgierig kan worden naar wat er gebeurde. Wat maakte dit zo lastig? Wat had ik nodig? Wat kan mij de volgende keer helpen?

En soms is groei dat een kind weer plezier krijgt in iets wat het lange tijd heeft vermeden. Dat het initiatief neemt, nieuwe dingen durft te proberen of langzaam weer vertrouwen krijgt in andere mensen.

Het zijn misschien kleine veranderingen, maar ze kunnen veel betekenen.

Want een kind dat stevig geworteld is, hoeft niet altijd sterk te zijn. Het hoeft niet iedere storm zonder kleerscheuren te doorstaan en het hoeft zich ook niet onverstoorbaar te gedragen wanneer het leven tegenzit.

Een stevige boom beweegt mee met de wind. Soms buigen de takken ver door en verliest hij zelfs bladeren. Dat hoort bij het leven. Het verschil is dat de boom niet bij iedere windvlaag zijn hele bestaan hoeft te herzien. De wortels geven houvast, ook wanneer de omstandigheden veranderen.

Zo kan het ook bij een kind zijn. Het mag geraakt worden, twijfelen, zoeken en opnieuw beginnen. Het mag verdrietig zijn wanneer iets niet lukt en onzeker worden wanneer het iets nieuws aangaat. Stevig staan betekent niet dat je nergens last van hebt. Het betekent dat je steeds beter leert terug te keren naar jezelf.

Dat je weet wie je bent, wat bij je past en waar je je houvast kunt vinden, ook wanneer de wereld om je heen even onrustig is.

Een boom hoeft niet op iedere plek te groeien

Dit vraagt ook iets van ons als volwassenen. Van ouders, leerkrachten en andere mensen die bij een kind betrokken zijn. De bereidheid om niet alleen te kijken naar wat een kind laat zien, maar ook naar wat het nodig heeft om tot bloei te komen. Om ons af te vragen of het kind zich steeds opnieuw moet aanpassen aan de omgeving, of dat we ook bereid zijn om de omgeving aan te passen aan het kind.

Dat betekent niet dat iedere moeilijkheid voorkomen kan worden. Ook op een passende plek zijn er uitdagingen, conflicten en momenten waarop een kind iets te leren heeft. En niet iedere omgeving kan aan alle behoeften voldoen.

Er is een verschil tussen een kind helpen om met de wereld om te gaan en een kind voortdurend laten voelen dat het zichzelf moet veranderen om in die wereld te passen.

Soms vraagt dat om andere verwachtingen. Soms om meer uitdaging, meer rust of meer ruimte voor eigen initiatief. Soms om een andere school of een andere manier van leren. En soms begint het met iets ogenschijnlijk kleins: een volwassene die oprecht nieuwsgierig is naar het kind en niet direct probeert het gedrag te veranderen.

Dan zien we gedrag niet alleen als iets dat opgelost moet worden, maar als een signaal. Wat probeert dit kind ons te vertellen? Welke behoefte blijft onbeantwoord? Wat maakt dat het zich hier niet veilig, vrij of verbonden voelt?

En wat gebeurt er wanneer we niet langer alleen zoeken naar manieren om het kind beter te laten functioneren, maar ook onderzoeken wat het nodig heeft om zichzelf te kunnen zijn?

Daar kan de beweging van worstelen naar wortelen beginnen.

Niet door het kind harder te laten groeien, maar door de omstandigheden te creëren waarin het zijn eigen wortels kan ontwikkelen.

Van worstelen naar wortelen

Uiteindelijk hoop je dat het kind dat ooit zo hard zijn best deed om de wereld te begrijpen en door die wereld begrepen te worden, steeds meer thuis raakt bij zichzelf.

Dat het ontdekt dat zijn nieuwsgierigheid waardevol is, dat zijn intensiteit niet alleen lastig hoeft te zijn en dat het niet verkeerd is wanneer het andere dingen nodig heeft dan de kinderen om hem heen.

Dat het leert vertrouwen op zijn eigen waarnemingen, gevoelens en gedachten. Dat het onderscheid leert maken tussen wat van hem is en wat van een ander wordt verwacht. Dat het zijn eigen kompas steeds beter leert kennen en durft te volgen.

Misschien staat daar dan, na verloop van tijd, een boom die je niet zomaar omver krijgt. Niet omdat hij nooit meer twijfelt of omdat hij zich aan iedere storm kan onttrekken, maar omdat hij stevig genoeg geworteld is om mee te bewegen zonder zichzelf te verliezen.
Een boom die niet voortdurend hoeft te bewijzen dat hij goed groeit. Die niet op iedere plek hoeft te passen. Die zijn eigen vorm mag aannemen en op zijn eigen manier tot bloei mag komen.

Voor mij is dat waarom ik het werk doe wat ik doe, omdat ik dit kinderen het meeste gun: niet dat ze leren om overal te passen, maar dat ze een plek vinden waar ze mogen groeien. Een plek waar ze zich kunnen verbinden met anderen, zonder de verbinding met zichzelf kwijt te raken.

Want een kind hoeft niet overal te kunnen wortelen. Het heeft grond nodig waarin het kan groeien.

En mensen die het de tijd, de ruimte en het vertrouwen geven om dat op zijn eigen manier te doen.

De juiste grond om tot bloei te komen

In mijn begeleiding ontmoet ik ouders die al lange tijd zoeken naar wat hun kind nodig heeft. Ouders die voelen dat er iets schuurt, die verschillende wegen hebben geprobeerd en die soms ook aan zichzelf zijn gaan twijfelen.
Juist dan kan het helpend zijn om niet alleen naar het kind te kijken, maar naar het geheel. Naar de omgeving, de verwachtingen, de onderlinge dynamiek en wat de worsteling van een kind bij een ouder raakt.

Wanneer we beter begrijpen wat er gebeurt, ontstaat er ruimte om andere keuzes te maken. Niet om een kind zo snel mogelijk weer mee te laten draaien, maar om samen te ontdekken in welke grond het tot bloei kan komen.

Van worstelen naar wortelen.

Plaats een reactie